Veiligheid en BPR

Veilig varen

Om veilig te kunnen suppen moet je je als supper aan enkele regels houden:

  • Vaar op groot of stromend water nooit alleen.
  • Bereid je goed voor (weer, route, ervaring, conditie, eventueel kaarten enz.);
  • Vaar met voor het betreffende water geschikt materiaal;
  • Draag als het water koud  neopreen kleding en eventueel een zwemvest;
  • Draag geschikte kleding;
  • Ken de vaarregels en blijf uit de buurt van grote schepen.


Binnenvaart Politie reglement

Net als op de weg is het nodig om regels te hebben voor het verkeer op het water. De belangrijkste regels staan beschreven in het BPR. Deze regels gelden voor alle soorten schepen, die zich op het water begeven. Hieronder worden wat regels beschreven, die van belang zijn voor sups.

Goed Zeemanschap

Een belangrijke uitgangspunt van het BPR is die van `goed zeemanschap’. Deze regel houdt in dat een deelnemer aan het scheepvaartverkeer al het mogelijke moet doen om de veiligheid op het water te bewaren. In gevaarlijke omstandigheden kan dit inhouden dat een schipper van de gestelde regels mag afwijken.

Indeling schepen in categorieën

Schepen worden in twee hoofdcategorieën ingedeeld: grote en kleine schepen. Grote schepen zijn schepen langer dan 20 meter. Ook schepen in de beroepsvaart die korter zijn dan 20 meter zoals sleepboten, veerboten, passagiers- en vissersboten, worden tot deze categorie gerekend. Alle andere schepen zijn kleine schepen. De regel is nu: kleine schepen moeten altijd voorrang geven aan grote schepen.
Kleine schepen worden onderverdeeld in drie categorieën: schepen voortbewogen door een motor, schepen voortbewogen door een zeil, en schepen die voortbewogen worden op spierkracht (zoals een sup).

Verkeersregels op het water

Op ruim water, zoals meren en plassen geldt een volgorde van voorrang tussen kleine schepen: Een motorschip moet voorrang verlenen aan een door spierkracht voortbewogen vaartuig, en deze moeten beide voorrang verlenen aan een zeilschip. Net als op de weg mag je geen voorrang nemen, maar zou je het moeten krijgen. In principe heeft een sup dus voorrang op een motorboot, in de praktijk zal een motorboot echter niet wijken voor een sup. Als supper kun je daarom het beste maar uit de buurt blijven van andere schepen.

Het schip dat inhaalt moet aan de bakboordzijde van het in te halen schip voorbijgaan. Net zoals je op de weg links moet inhalen.

Verlichting

Voor schepen langer dan zes meter geldt dat ze in het donker aan bakboord een rood licht moeten voeren, aan stuurboord een groen licht en een wit rondom schijnend toplicht. Schepen kleiner dan zes meter (dus ook sups) moeten dan een rondom schijnend toplicht voeren. Voor sups is dit in de praktijk moeilijk uitvoerbaar, je moet dan iets op je hoofd dragen. Neem bij donker in elk geval een wit licht (zaklantaren) mee, en ga niet op druk water varen.

Bruggen

Bij bruggen kunnen verschillende lichten branden. Als sup kun je meestal zo wel onder een brug door, desnoods via een ‘zijpoortje’, maar het is toch wel belangrijk om iets over de lichten bij een brug te weten. Als een brug openstaat en er brand een rood licht mag je er niet door want dat betekent dat er scheepvaartverkeer vanaf de andere kant komt. Een groen licht is er alleen als de brug open staat en dit licht betekent dat het scheepvaartverkeer door de brug mag varen. Als sup kun je in zo’n geval beter de andere schepen voor laten gaan, je kan zelf immers meestal wel onder de brug door als hij dicht is. Een oranje licht betekent dat dit bruggat de voorkeur geniet om onderdoor te varen. Let ook dan goed op ander scheepsverkeer!

 

Officiele tekst BPR

Artikel 9.04. Kleine schepen

  • 1.Op de in bijlage 15, onder a, vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur ten opzichte van het water kan worden gehandhaafd.
  • 2.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.
  • 3.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen is het niet toegestaan het vaarwater op te kruisen.
  • 4.Het in het eerste lid genoemde verbod, is op de daar bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden, niet van toepassing op schepen die bestemd zijn om door spierkracht te worden voortbewogen en ook daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.
  • 5.Op de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden kan de bevoegde autoriteit aan in het vierde lid bedoelde schepen ontheffing verlenen van de in het eerste lid vermelde vereisten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
  • 6.Op de in bijlage 15, onder b, genoemde vaarwegen moeten een varend en een geankerd klein schip bij slecht zicht een goed functionerende radarreflector voeren.
    Bijlage 15. Kleine schepen

a.De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.04, eerste lid, zijn:

  1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, met inbegrip van de daaraan gelegen havens;
  2. het Noordzeekanaal;
  3. de Noord;
  4. de Oude Maas;
  5. de Dordtsche Kil;
  6. het Kanaal door Zuid-Beveland;
  7. het Brabantsche Vaarwater;
  8. de Witte Tonnen Vlije;
  9. de Schelde-Rijnverbinding;
  10. het Kanaal van Sint Andries;
  11. de Boven-Merwede;
  12. de Beneden-Merwede;
  13. de Gekanaliseerde Maas van Maastricht (kmr 12,000) tot Borgharen;
  14. het Julianakanaal;
  15. de Waal;
  16. de Boven-Rijn;
  17. het Pannerdensch Kanaal;
  18. de Neder-Rijn tot kmr 886;
  19. de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop tot aan de monding van het Twenthekanaal;
  20. het Amsterdam-Rijnkanaal;
  21. het Lekkanaal;
  22. het betonde vaarwater van het Buiten-IJ;
  23. het Afgesloten-IJ;
  24. de Nieuwe Maas;
  25. de Nieuwe Waterweg;
  26. de Maasmond;
  27. het Calandkanaal;
  28. het Beerkanaal;
  29. de Koningshaven;
  30. het Zuiddiepje;
  31. het betonde hoofdvaarwater van de Nieuwe Merwede;
  32. het betonde hoofdvaarwater van het Hollandsch Diep;
  33. de Veerhaven te Terneuzen.

b.de vaarwegen, bedoeld in artikel 9.04, zesde lid, zijn:

  1. het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
  2. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal en het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
  3. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
  4. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
  5. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
  6. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen;
  7. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan;
  8. de Boven-Merwede;
  9. de Beneden-Merwede;
  10. de Nieuwe Merwede;
  11. het betonde vaarwater van het Hollandsch Diep;
  12. het Volkerak;
  13. het Zuid-Vlije;
  14. de Krammer;
  15. het Mastgat;
  16. het Keeten;
  17. de Oosterschelde;
  18. het Amsterdam-Rijnkanaal;
  19. het Lekkanaal.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s